Als biomassa niet meer kan worden meegestookt in kolencentrales, is een alternatief maatregelenpakket mogelijk met extra wind op zee, grootschalige zonne-energie, biostoom en biomassa voor stadsverwarming. Dit scenario scoort op de meeste onderzochte aspecten gunstiger dan meestook.

In het Energieakkoord hebben de partijen afgesproken dat er 14% hernieuw­bare energie moet zijn gerealiseerd in Nederland in 2020. Naast de inzet van energie uit zon, wind, bodem en water is
ook afgesproken dat er maximaal 25 PJ aan de 14%-doelstelling mag worden bijgedragen door de meestook van biomassa (BMS) in kolencentrales.

Recentelijk zijn verschillende moties aangenomen die op korte termijn kunnen leiden tot sluiting van de laatste vijf kolencentrales in Nederland. Er is dan ook geen capaciteit meer om biomassa mee te stoken. CE Delft heeft, in opdracht van Natuur & Milieu en Eneco, dan ook onderzocht of:

  • er alternatieven zijn voor het meestoken van 25 PJ biomassa in kolencentrales (referentiescenario) die nog niet zijn afgesproken in het Energieakkoord;
  • wat de subsidiekosten en overige effecten van deze alternatieven zijn voor Nederland.

Alternatieven

Uit de studie blijkt dat er twee alternatieve scenario’s zijn die wij realistisch achten voor de periode 2016-2020:

1. Implementatie van maatregelenpakket met vier verschillende hernieuwbare energieopties, waarmee gezamenlijk 25 PJ aan finale energie wordt geproduceerd:

  • een extra windpark van 700 MW op zee,
  • grootschalige zonne-energie (0,6 Gigawatt piekvermogen),
  • 7,5 PJ biostoom bij bedrijven,
  • 5 PJ inzet van biomassa voor stadsverwarming.

2. Het ombouwen van een jaren ’80 kolencentrale, Amer 8 in Noord-Brabant, naar een 100% biomassacentrale. Hiermee is het ook mogelijk om 25 PJ hernieuwbare energie te realiseren.

Effecten

Tabel 1 toont de benodigde SDE+-subsidies en overige effecten bij de verschillende scenario’s. Hierbij zijn alleen de effecten in kaart gebracht m.b.t. het invullen van 25 PJ hernieuwbare energie in vergelijking tot het meestoken van 25 PJ van biomassa. Zowel in het referentiescenario als in de alternatieve scenario’s is verondersteld dat de laatste vijf kolencentrales in Nederland open blijven. Dit betekent dat de kosten en baten van een sluiting van kolencentrales dus niet zijn meegenomen.

Tabel 1. Vergelijking van effecten

         Meestook  

Wind    op zee, zon, biostoom en biomassa voor stadsverwarming

(Alternatief 1)

Ombouw    kolencentrale

 

(Alternatief 2)
  

SDE+ (€   mln ) 490 410 600
SDE+ beslag over 8 jaar bij gelijkblijvende marktprijzen (€ miljard) 3,9 3,3 4,8
Impact op SDE+ opslag voor huishoudens (€/jaar) 46 38 56
Aantal eenmalige voltijdsbanen (tijdens investering) 3.000 10.000 2.000

Aantal structurele voltijdsbanen

(onderhoud)

700 2.300 1.000
Bijdrage aan Nederlandse economie   (toegevoegde waarde), miljoen € 50 200 35
Effecten op de energietransitie Negatief Positief Negatief
CO2-impact Nederlands   grondgebied (Mton/jaar) -5,5 -2,5 -3
Impact op luchtkwaliteit

Minder   uitstoot

(fijnstof,   SO2, etc.)

Minder   uitstoot elektriciteitsmarkt

Meer   uitstoot warmtemarkt

Meer   uitstoot elektriciteitsmarkt en warmtemarkt
Onbalans Weinig effect Meer onbalans Weinig effect
Effecten op de elektriciteitsprijs Weinig effect Verlagend Weinig effect

 

Uit tabel 1 blijkt dat Alternatief 1 op vrijwel alle indicatoren het gunstigst scoort. De SDE+ kosten zijn zo’n € 80 mln per jaar lager dan bij meestook, terwijl de bijdrage aan de economie vier keer zo hoog is. Ook levert het pakket meer dan driemaal zoveel banen op. Daarnaast is het pakket gunstig voor de energietransitie en verlaging van de elektriciteitsprijs.

In Alternatief 1 is er ook een reductie van de CO2-uitstoot op Nederlands grondgebied met 2,5 Mton. Daarnaast wordt in de elektriciteitsmarkt de luchtkwaliteit verbeterd door meer wind op zee en zon. In de warmtemarkt vindt echter een verslechtering plaats, omdat warmte (voornamelijk gas) wordt vervangen door inzet van biomassa met meer uitstoot van overige emissies. Alternatief 1 scoort relatief minder gunstig dan meestook van biomassa, omdat relatief meer kolen worden ingezet in dit scenario. Verondersteld is namelijk dat de laatste vijf kolencentrales open blijven.
Ook op het gebied van onbalans scoort Alternatief 1 minder gunstig dan meestook.

Alternatief 2 scoort op de meeste aspecten minder gunstig dan meestook. Dit alternatief vergt meer SDE+-subsidies, levert minder toegevoegde waarde en minder eenmalige werkgelegenheid. Alleen de structurele werkgelegenheid is groter, door de hogere onderhoudskosten van de verouderde centrale.

Conclusie

Wij concluderen dat er alternatieven mogelijk zijn voor de meestook van biomassa die nog niet zijn afgesproken in het Energieakkoord. Zo kan de geplande tenderregeling voor wind op zee voor het jaar 2017 met drie maanden naar voren worden geschoven (in combinatie met strengere eisen aan de opleveringstermijn), is er ruimte voor grootschalige zon-PV en kan sterker worden ingezet op biostoom bij bedrijven en inzet van biomassa voor stadsverwarming. Een ander alternatief is de ombouw van de Amer 8-kolencentrale tot een biomassacentrale. Ook met dit alternatief kan additioneel 25 PJ worden gerealiseerd.


Het volledige rapport “Alternatieven voor biomassa meestook in kolencentrales” kunt u downloaden via www.cedelft.nl. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Geert Warringa (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.; 015 2150150).

 

 

Ga direct naar alle artikelen over:

nME icon overheid groot 3d4

Overheid

nME icon bedrijfsleven2 groot

Bedrijfsleven

nME icon onderzoek groot

Onderzoek

nME icon opinie2 groot

Opinie en debat