Deze website gebruikt analytische cookies om inzicht te krijgen in de populariteit van de aangeboden artikelen (webstatistieken). Persoonlijke gegevens van bezoekers worden niet vastgelegd.

Landbouwers moeten zich aanpassen aan klimaatsverandering als ze willen overleven. Echter, dit kan alleen maar indien ze hier de juiste middelen en dus het aanpassingsvermogen voor hebben. Huidige modellen zijn vaak te optimistisch over dit aanpassingsvermogen, zo blijkt uit een recent gepubliceerde studie van Vlaamse onderzoekers.

Het klimaat bepaalt in sterke mate de activiteiten en het management van de landbouwsector. Klimaatverandering dwingt landbouwers dan ook tot het aanpassen van hun huidige activiteiten (zoals het veranderen van gewassen of het irrigeren van velden) om zo de impact van de nieuwe klimaatomstandigheden te minimaliseren of om opportuniteiten te benutten. Aanpassingsvermogen van landbouwers is dus een sleutelaspect voor voedselzekerheid en landbouwbehoud in verschillende regio’s. Dit werd reeds in 2007 benadrukt door het IPCC, dat aangaf dat landbouwers gemiddeld gezien hun opbrengsten met 10% konden verhogen door zich correct aan te passen.

Het is dus belangrijk om inzicht te krijgen in adaptatiebeslissingen en –processen van landbouwers. Daarom hebben modellen die de impact van klimaatverandering in kaart brengen en tegelijk deze adaptatiebeslissingen in rekening nemen, de laatste jaren aan populariteit gewonnen. De micro-economische methode die in dit opzicht het meest gebruikt is, is de methode van Ricardo. Deze methode houdt impliciet rekening met klimaatadaptatie door te veronderstellen dat landbouwers hun winst maximaliseren door alle winst-beïnvloedende factoren binnen hun controle (bijvoorbeeld de keuze van inputs en outputs) te optimaliseren.

Echter, de sterkte van de methode om adaptatie in rekening te nemen, moet sterk genuanceerd worden omdat de methode adaptatie niet expliciet meet of toont. Adaptatie wordt namelijk verondersteld optimaal te zijn. De methode veronderstelt dus dat de landbouwer en het landbouwsysteem de middelen hebben om zich aan te passen. Een voorbeeld kan je hier terugvinden. Zo geeft de methode een vals gevoel van zekerheid dat “landbouwers zich zullen aanpassen op de optimale wijze” terwijl dit in werkelijkheid niet altijd realistisch is. Niet alle landbouwers hebben toegang tot alle adaptatiestrategieën omdat ze niet altijd beschikken over het nodige aanpassingsvermogen (informatie, kennis, ervaring, menskracht, technologie, financiële middelen en instituten). Hierdoor zijn de resultaten van de traditionele methode van Ricardo dus eigenlijk te optimistisch.

Deze studie had daarom als doel om aanpassingsvermogen expliciet in rekening te nemen, zodat de impact van een gebrek aan aanpassingsvermogen gevisualiseerd kon worden. Hierbij werd er gebruik gemaakt van een eerdere studie de reeds een adaptatie-index ontwierp (de ESPON-index (Greiving et al., 2013)). Deze index nam 5 sleutelaspecten van aanpassingsvermogen mee: kennis en bewustzijn, technologische middelen, infrastructuur, instituten en economische middelen. Zoals op het kaartje in figuur 1 gezien kan worden, verschilt deze index (en dus het aanpassingsvermogen) sterk afhankelijk van de geografische locatie.

Figuur 1: ESPON adaptatie-index (figuur aangepast van Greiving et al. (2013)) – Hoe hoger de index, hoe beter het aanpassingsvermogen

In figuur 2 worden de resultaten weergegeven van de impact van een stijging van de temperatuur met 1 °C op de landbouwopbrengsten in een bepaalde regio. Hierbij wordt het model dat geen aanpassingsvermogen in rekening neemt (figuur 2A) vergeleken met het model dat de ESPON-index in rekening neemt (figuur 2B). Hieruit blijkt duidelijk dat de resultaten negatiever zijn wanneer de ESPON-index in rekening genomen wordt. De figuren geven de marginale temperatuureffecten op landbouwopbrengsten weer. Ze kunnen dus geïnterpreteerd worden als de verandering in de waarde van 1ha land wanneer er in een bepaalde regio een stijging van 1°C in de temperatuur is. Het verschil tussen figuur 2A en 2B geeft aan dat de positieve marginale temperatuureffecten dalen met 2,5 tot 5 procentpunten in regio’s met een laag aanpassingsvermogen.

Figuur 2: Marginale effecten van temperatuur per NUTS3-regio op landbouwopbrengsten

 

Ondanks het positieve verband tussen het aanpassingsvermogen en de agrarische klimaatreactie, toont de studie wel aan dat deze relatie niet-lineair is. Dit betekent dat bij zeer lage aanpassingsvermogens, er eerst grote inspanningen nodig zijn alvorens er voordelen bereikt kunnen worden. Ook is het zo dat er niet in alle regio’s een positief verband is. Daar zijn er investeringen nodig om specifiek aanpassingsvermogen t.o.v. bijvoorbeeld droogte te verhogen.


Deze studie werd uitgevoerd door Janka Vanschoenwinkel, Michele Moretti en Steven Van Passel en is gepubliceerd in European Review of Agricultural Economics. Voor meer informatie: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.


Referentie

Greiving, S., et al. (2013). ESPON Climate – Climate Change and Territorial Effects on Regions and Local Economies Applied Research 2013/1/4 Scientific Report. Dortmund, ESPON & IRPUD, TU Dortmund University.