Deze website gebruikt analytische cookies om inzicht te krijgen in de populariteit van de aangeboden artikelen (webstatistieken). Persoonlijke gegevens van bezoekers worden niet vastgelegd.

Terugkijkend op 50 jaar milieueconomie wijden we een reeks artikelen aan de ontwikkeling en de vooruitzichten van het vakgebied in Nederland en Vlaanderen. Deze bijdrage aan de reeks is van Rick van der Ploeg, onlangs benoemd tot universiteitshoogleraar Environmental Economics aan de Universiteit van Amsterdam. Eerdere bijdragen werden geschreven door Hans Opschoor, Aviel Verbruggen, Aart de ZeeuwHarmen VerbruggenAndries Nentjes en Stef Proost.

Onder milieueconomen ben ik eigenlijk een beunhaas. Ik heb nooit economie gestudeerd. Wel heb ik veel over economie geschreven en veel promovendi begeleid, zowel in Nederland als in mijn thuisbasis Oxford. Je zou kunnen zeggen dat er een rode draad zit in de onderwerpen die in mijn werk aandacht kregen. En naarmate ik ouder word zie ik steeds meer dat alles met van alles aan elkaar hangt. De problematiek van grondstofrijke landen, gepaard gaande met corruptie, waardoor ik het belang van politieke economie ben gaan inzien, en de daaruit ontstane milieuproblemen: klimaatverandering en biodiversiteitsverlies.

Het begon in Mexico in 1983, waar ik als jongeman werkte als adviseur van de regering, met groot kantoor, eigen chauffeur en allerlei assistenten. Mexico was natuurlijk een olierijk land. Al die olie werd gebruikt om infrastructuur ‘van nergens naar nergens’ aan te leggen; een beetje zoals in Nederland in de jaren zeventig, onder Den Uyl. En om een ondoelmatige auto-industrie te subsidiëren, terwijl je veel goedkopere én betere auto’s van buiten kon halen. Maar daar werd een stevige invoerheffing op gezet. Daar zag ik voor het eerst hoe sterk protectionisme een inefficiënte binnenlandse economie in stand houdt en tekenen van ambtelijke corruptie. Maar ook in landen als het VK en Nederland werden de opbrengsten uit olie- en aardgaswinning gezien als ‘gratis geld’, en niet in een fonds gestopt zoals in Noorwegen, maar verkwanseld door daar bijvoorbeeld een Betuwelijn van aan te leggen. Ik heb later ook gewerkt in Afrika, Zuid-Amerika en Rusland, wat leidde tot inzicht in wat wordt genoemd ‘de vloek’ van grondstoffen zoals olie of diamanten voor landen aldaar. Economieën die bijna volledig afhankelijk zijn van grondstofexporten, in combinatie met een verslechterde concurrentiepositie van andere exportbedrijven en corrupte politici en ambtenarij onder invloed van grote, machtige bedrijven met een vuil businessmodel zoals Shell. En vergeet ook Unilever niet, dat dan wel een milieuvriendelijker imago mag hebben, maar intussen via de palmolieproductie schuld heeft aan de vernietiging van biodiversiteit. Ons bedrijfsleven dus, ook gesanctioneerd door onze banken en met heel veel macht in Den Haag.

In mijn tijd als financieel woordvoerder in de Tweede Kamer moest ik twee keer op het matje komen bij Wim Kok. De eerste keer omdat ik had voorgesteld het Koningshuis ook belasting te laten betalen; kort daarna opnieuw omdat ik voorstelde CO2 te gaan belasten. Het haalde beide keren de voorpagina van de Telegraaf, dus dat mocht ik beslist niet nog een keer doen want dat was de beste manier om de kiezers af te schrikken. Vanaf 1992 richtte ik me vanuit Tilburg samen met Lans Bovenberg en ook Ruud de Mooij (nu bij IMF) op het klimaatbeleid. In een invloedrijke reeks papers toonden we aan dat het ‘dubbele dividend’ – beter klimaat én meer banengroei - door belastingverschuiving helemaal niet opgaat. Óf je genereert op een zeer doelmatige manier inkomsten voor de overheid als de belasting op vervuilende activiteiten amper werkt. Dus als het niet goed werkt voor het milieu, als mensen er toch niet de auto door laten staan, dan is het een niet erg verstorende manier om inkomsten te genereren; dat heeft zelfs The Economist onderkend. Óf die belasting werkt wel goed om de vervuiling terug te dringen, maar dan krijg je veel minder inkomsten en hebt je minder geld om terug te sluizen via een lagere belasting op arbeid. Je moet gewoon vervuilende activiteiten belasten omdat je het klimaat belangrijk vindt. Ik heb uit die tijd in de politiek goed onthouden, dat je ook moet bedenken wat je kunt doen om draagvlak te krijgen voor een CO2-belasting. Idealiter compenseer je via de belasting de laagste inkomens, of als dat niet lukt subsidieer je energiebesparende maatregelen, zoals woningisolatie voor lagere inkomens als die in slecht geïsoleerde huizen wonen.

Maar men vergeet dit soort lessen vaak. Ondanks verwoede pogingen om de politiek te beïnvloeden, is de invoering van een ambitieuze koolstoftaks weer niet gelukt en blijft Den Haag zwichten voor de lobby van de industrie. Zelfs een eerstejaars student economie snapt dat dreigen met een taks bij overschrijding van een zelf gekozen emissiedrempel helemaal geen prikkel is. En daarom is politieke economie binnen de milieueconomie ook belangrijk, zodat je bewindslieden kunt adviseren hoe ze noodzakelijke maatregelen door de Kamer kunnen loodsen (bijvoorbeeld een CO2-taks in combinatie met compenserende subsidies naar rato van productie voor de industrie) en zo voorkomen dat slecht klimaatbeleid wordt ingevoerd. In plaats daarvan hebben we, als enige in Europa, een energiebelasting op steenkool, gas, olie, zon en wind. Die belast niet de uitstoot - een waanzinnige maatregel en niemand spreekt erover, zelfs de economen zijn stil.

Een ander punt waarop nog steeds gefaald wordt in het milieubeleid is de discontovoet. Het is een van de belangrijkste onderwerpen voor milieu en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, maar krijgt veel te weinig aandacht. De discontovoet moet dalen over de tijd. Als de termijn heel erg lang is, zeg 50 of 100 jaar, dan moet je aan het eind van die periode naar een discontovoet van misschien wel een half procent, anders blijft niets over van alle baten. Economen hebben daar goede argumenten voor. Alleen voor de korte termijn geldt dan een hogere discontovoet zoals de 3,25 %, waartoe nu door Financiën besloten is. Met een uitzondering voor infrastructuurprojecten - door een goede lobby vanuit Infrastructuur en Waterstaat – waarvoor een lagere rente gebruikt mag worden. Maar dan weer niet voor milieuprojecten, met vaak vergelijkbare langetermijnbaten. Terwijl het eigenlijk zo moet zijn dat er juist een risicopremie moet op infraprojecten, een hogere voet dus. Want bij infraprojecten gaat het rendement omhoog met de staat van de economie en moet er dus een positieve (niet een negatieve) risicopremie op de discontovoet voor dit soort projecten. Bizar genoeg zat er in de laatste Regeringscommissie Discontovoet geen milieueconoom en geen finance econoom, en zijn de adviezen gewoon overgenomen.

Mijn nieuwe aanstelling als universiteitshoogleraar aan de UvA, direct onder het College van Bestuur, past me goed. En ik mag nog door tot mijn zeventigste! Ik vind een bredere blik, het maken van verbinding tussen de verschillende faculteiten belangrijk, zodat economen, ingenieurs, biologen, natuurkundigen en ook filosofen van elkaar kunnen leren. Ik heb als gasthoogleraar aan de Universiteit Utrecht veel geleerd van de klimaat- en oceaanwetenschappers en besef daardoor dat het risico op de negen belangrijke ‘tipping points’ een veel ambitieuzer klimaatbeleid vereist. In finance noemen we dat tail risk: een kleine kans op verschrikkelijke dingen, maar daar moeten we in het klimaatbeleid wel rekening mee gaan houden. Zoals met de gevolgen van het smelten van de ijskappen, op langere termijn, maar ook dichterbij in de tijd het vrijkomen van grote hoeveelheden van het sterke broeikasgas methaan als gevolg van het smelten van de permafrost. Nederland en Engeland hebben een heel prettig gematigd klimaat nu, belangrijk voor ons economisch succes, maar dat kan verdwijnen als de golfstroom verandert. De bekende wiskundige Alan Turing schreef een heel belangrijk artikel over de verandering van patronen in een ruimte onder invloed van een chemische reactie. Zo ook blijken bepaalde patronen in ruimtelijke veranderingen in de natuur, gesignaleerd met satellietdata, zoals bijvoorbeeld op de steppen – van gras naar bos naar woestijn - voorspeld te worden op basis van die Turing-vergelijkingen. De ruimtelijk ecoloog Max Rietkerk (UU) is de grote expert op dit gebied. Op die manier kunnen we die ruimtelijke patronen leren begrijpen en kunnen ze mogelijkerwijs gaan werken als early warning indicators voor klimaatrampen.

Biodiversiteit lijkt een heel ander onderwerp, maar we hebben met het vernietigen van tropisch regenwoud zowel CO2-opvangcapaciteit als biodiversiteit gereduceerd. En daar hebben niet alleen bedrijven maar, bijvoorbeeld via de aandelen in handen van de pensioenfondsen, wij allemaal hartelijk aan meegedaan. Overigens raak ik er steeds meer van overtuigd dat privatisering voor behoud van biodiversiteit kan helpen, zoals Ronald Coase (Nobelprijs 1991) betoogde. We moeten dan wel eigendomsrechten duidelijk definiëren en een allocatiemechanisme daarvoor. Bijvoorbeeld met behulp van een enorm efficiënte techniek (‘mechanism design’ waar in 2007 nog een Nobelprijs voor gegeven is aan Leonid Hurwicz, Eric Maskin en Roger Myerson), die ook gebruikt wordt voor allocatie van scholieren, vluchtelingenopvang en in het datingprogramma Love Island.

Duidelijk is dat zowel klimaat als biodiversiteit de economie zelf echt raken. Je ziet ook dat centrale banken en toezichthouders - meer dan regeringen - oog hebben voor hun fiduciaire plicht om bedrijven en daarmee banken overeind te houden en systeemrisico’s te vermijden, en zo de noodzaak af te schrijven op ‘stranded assets’ te verminderen. Op de jaarlijkse Sintra Conferentie van de ECB heb ik hierover een keynote speech gegeven. Of dat verzekeraars gaan omvallen als zich nog meer natuurrampen gaan voordoen. In de verkiezingsprogramma’s zie ik dat besef nog helemaal niet doordringen.

In dat licht bezien luister ik graag naar Prins Charles, een van de beste milieuadvocaten; hij is in staat tot een doorwrocht betoog, is zeer betrokken, zet instituties en evenementen op en neemt ook eigen verantwoordelijkheid als een van de grootste natuurbeheerders in Engeland. Ik ben ook enthousiast over partijen als DNB en Urgenda in Nederland. Maar de regering blijft teveel pappen en nathouden, ook al was Nederland lange tijd het vieste land in Europa, op Griekenland na. Dat zie je nu ook in het coronabeleid. Rutte moet wakker worden en denken aan zijn 'legacy'. Hij is populair genoeg om ervoor te kiezen zijn macht in te zetten voor effectief klimaatbeleid, met snel, vroeg en hard ingrijpen. Net zoals Wim Kok destijds heeft gedaan bij de WAO. Uitstel is veel duurder.

Ik vind dat wetenschappers meer moeten doen dan artikelen schrijven, ze moeten ook buiten het academisch debat treden en op andere manieren relevant zijn voor de samenleving. We hebben veel goede jonge mensen, zij moeten meer in contact treden met de politiek, de ambtenarij en het bedrijfsleven. We hebben echt een veel aggressiever klimaatbeleid nodig. Geloofwaardig, niet wispelturig, zodat het ook gedragen wordt door de samenleving. Het is gemakkelijk om milieubeleid te voeren. Moeilijk is het om dat zonder te hoge economische kosten te doen en met voldoende draagvlak.


 Inlichtingen: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.